Het maken van rode wijn

Hieronder beschrijven we het algemene proces van het maken van rode wijn:

  1. Oogsten van druiven: Het wijnproductieproces begint met het oogsten van rijpe druiven van de wijnstokken. De timing van de oogst is essentieel, omdat het bepaalt hoe zoet of zuur de wijn zal zijn.
  2. Ontstelen en pletten: Na het oogsten worden de druiven naar de wijnmakerij gebracht, waar ze worden ontsteeld om de stelen te verwijderen. Daarna worden de druiven geplet om de huid te breken en het sap vrij te laten komen.
  3. Gisting: Het druivensap, dat nu bekend staat als most, wordt overgebracht naar fermentatievaten. Tijdens dit proces zetten natuurlijke gistcellen in de druivenschil de suikers in het sap om in alcohol en koolstofdioxide. Dit wordt gisting genoemd en duurt meestal enkele dagen tot enkele weken.
  4. Maceratie: Tijdens de gisting blijven de druivenschillen en het sap in contact, wat resulteert in kleur, tannines en aroma’s die aan de wijn worden onttrokken. Dit proces wordt maceratie genoemd en kan variëren in duur, afhankelijk van de gewenste stijl van de wijn.
  5. Persen: Na de gisting worden de vaste delen (zoals schillen en zaden) van het sap gescheiden door te persen. Het vloeibare deel dat wordt verkregen na het persen staat bekend als jonge wijn.
  6. Malolactische gisting: In sommige gevallen ondergaat de jonge wijn een tweede fermentatie, genaamd malolactische gisting. Hierbij worden scherpere appelzuren omgezet in zachtere melkzuren, waardoor de wijn zachter en romiger wordt.
  7. Rijping: De jonge wijn wordt overgebracht naar vaten (meestal eikenhouten vaten) om te rijpen. De rijping kan variëren van enkele maanden tot enkele jaren, afhankelijk van de gewenste stijl en complexiteit van de wijn.
  8. Filteren en bottelen: Na de rijping wordt de wijn gefilterd